Home » Nieuws & achtergrond » Het erfrechtelijke stiefouder gevaar

Het erfrechtelijke stiefouder gevaar

26 november 2020

Sinds op 1 januari 2003 het nieuwe erfrecht in werking is getreden, bevat de wet in art. 4:13 BW een bepaling die de gevolgen regelt van het overlijden van een van beide echtgenoten, die in ieder geval één kind achter laat. Deze regeling is in de wet opgenomen vanwege de verzorgingsgedachte ten gunste van de langstlevende echtgenoot. De wetgever heeft beoogd deze er warmpjes bij te laten zitten, nu deze echtgenoot mag beschikken over de nalatenschap van de overleden echtgenoot. Dat betekent dat indien er sprake is van een woning in gemeenschappelijk eigendom, de langstlevende echtgenoot in de woning kan blijven wonen. Binnen 3 maanden vanaf de dag dat de nalatenschap open gevallen is, kan de langstlevende echtgenoot op de voet van art. 4:18 BW de wettelijke verdeling ongedaan maken. In de praktijk wordt slechts sporadisch van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

"De wetgever zou de wetgever niet zijn indien het stiefoudergevaar over het hoofd zou zijn gezien. Dat betekent echter niet dat het de kinderen eenvoudig is gemaakt om de stiefouder diens rechten te ontzeggen."

Indien bij testament niet een andere wijze van vererving is bepaald of de wettelijke verdeling na het overlijden door de langstlevende echtgenoot ongedaan is gemaakt, verdeelt de wet de nalatenschap van een gehuwde als volgt:

  • De langstlevende echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap;
  • De schulden van de nalatenschap moeten worden voldaan door de langstlevende echtgenoot;
  • De kinderen verkrijgen van rechtswege een (geld)vordering op de langstlevende echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel.
  • De geldvordering op de langstlevende echtgenoot moet in beginsel pas worden betaald zodra de langstlevende overlijdt en dus niet eerder. 

 

Dat het gaat om een verdeling van rechtswege betekent dat er geen verdere (rechts)handeling nodig is om de nalatenschap te verdelen zoals de wet voorschrijft. Deze verdeling is meteen geregeld op het moment dat één van beide echtgenoten overlijdt.

Erfrechtelijk doen zich doorgaans geen problemen voor indien de kinderen een geldvordering krijgen op de langstlevende vader, indien moeder eerst overlijdt. Vaker zijn problemen te verwachten indien de langstlevende echtgenoot niet de vader is van de achterblijvende kinderen, of indien de langstlevende vader een relatie aangaat met een nieuwe partner. Zie hier: ‘het stiefoudergevaar’.

De wetgever zou de wetgever niet zijn indien het stiefoudergevaar over het hoofd zou zijn gezien. Dat betekent echter niet dat het de kinderen eenvoudig is gemaakt om de stiefouder diens rechten te ontzeggen. Bovendien is het aan de kinderen zelf om ter zake actie(s) te ondernemen met als doel hun erfrechtelijke aanspraken te verzekeren. In dit artikel worden deze acties besproken.

 

Vaststelling geldvordering

De wet bepaalt in art. 4:13 lid 3 BW dat de kinderen van de overleden echtgenoot als erfgenaam een geldvordering verkrijgen ter hoogte van de waarde van het betreffende erfdeel. De hoogte van deze geldvordering moet dus berekend worden, welke berekening gemaakt kan worden aan de hand van een boedelbeschrijving. De wetgever komt de kinderen op dit onderdeel te hulp door in art. 4:16 BW op te nemen dat ieder kind kan verlangen dat er een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. Deze boedelbeschrijving dient tenminste een overzicht van de bezittingen en de schulden van de nalatenschap te bevatten. 

Indien de erfgenamen geen overeenstemming kunnen bereiken over de vaststelling van de omvang van de nalatenschap, dan wordt deze op verzoek van de meeste gerede partij vastgesteld door de kantonrechter (art. 4:15 BW).

Er zij hier opgemerkt dat voornoemde acties worden verricht ter vaststelling van een geldvordering die op dat moment nog (lang) niet opeisbaar is. Het nut van deze misschien zeer vroegtijdige vaststelling zal duidelijk worden bij de bespreking van de vervolgacties.
 

Wilsrechten

De wetgever heeft in art. 4:19 e.v. BW zogenoemde wilsrechten opgenomen, welke wilsrechten het kind de mogelijkheid bieden om de betaling van de hiervoor besproken geldvordering (zoveel als mogelijk) zeker te stellen. Deze wilsrechten zijn in de wet onderverdeeld in de volgende situaties:

  • Bescherming bij een voorgenomen huwelijk van de langstlevende ouder (4:19 BW);
  • Bescherming bij het overlijden van de langstlevende ouder (4:20 BW);
  • Bescherming jegens stiefouder (4:21 BW);
  • Bescherming jegens de kinderen van de stiefouder (4:22 BW).

 

Bovenstaande situaties kennen een gemeenschappelijke deler: de verplichting om op verzoek van het kind goederen over te dragen, met een waarde ter hoogte van diens geldvordering. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat het bij deze overdracht zowel niet altijd gaat om de overdracht van het volledig eigendom aan het kind, alsmede dat het niet is toegestaan om willekeurig goederen te kiezen die worden overgedragen. Zo bepaalt zowel art. 4:19 BW als 4:21 BW dat de goederen worden overgedragen onder het voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen. Vanwege dit vruchtgebruik mag de stiefouder de goederen wel gebruiken, maar niet weggeven of verkopen (verteren), tenzij de rechtbank daartoe een machtiging heeft gegeven. Dat betekent dat het kind een zogenoemd ‘bloot eigendomsrecht’ verkrijgt. Bij het overlijden van de stiefouder wordt het bloot eigendomsrecht automatisch een vol eigendomsrecht.

Van een volledig eigendomsrecht van overdracht is sprake in de gevallen van art. 4:20 en art. 4:22 BW. Het eerstgenoemde wilsrecht is van toepassing indien de ouder (niet stiefouder) opnieuw in het huwelijk is getreden en is komen te overlijden. Het tweede wilsrecht doet zich voor in de situatie waarin het kind een vordering op de stiefouder heeft gekregen en die stiefouder vervolgens overlijdt. In dat geval heeft het kind een vordering op de erfgenamen van de stiefouder, maar kan het kind een volledig eigendomsrecht (niet beperkt door een vruchtgebruik) verkrijgen op bepaalde goederen.

De goederen die vatbaar zijn voor overdracht zijn slechts de goederen die deel uit hebben gemaakt van de nalatenschap van de overleden ouder, of van de door diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap. Om het kind te helpen te bewijzen dat het om dergelijke goederen gaat, is in art. 4:24 lid 4 BW een bewijsvermoeden opgenomen.

Ter volledigheid wordt opgemerkt dat ingevolge art. 4:25 lid 6 BW bij testament de verplichtingen uit hoofde van de wilsrechten kan uitbreiden, beperken of opheffen. Zo kan het wilsrecht van art. 4:19 BW ook van toepassing worden verklaard op het gaan samenwonen, in plaats een huwelijk.

 

De over te dragen goederen en de waardering ervan

Ten aanzien van de vraag welke goederen voor overdracht in aanmerking komen, is het zogenoemde ‘affectie-aspect’ van toepassing. Dit aspect is primair gelegen in de omstandigheid dat het kind overdracht kan vragen van goederen die van de overleden ouder zijn geweest. Naar mate dit aspect meer aan de orde is, dus hoe meer emotionele waarde aan het goed kan worden toegekend, hoe meer reden er is een recht tot overdracht toe te kennen. Denk daarbij aan een ketting van aanzienlijke waarde die door de kinderen gezamenlijk aan de overleden echtgenoot is gegeven. Niet alleen kan men dan afvragen wat de langstlevende echtgenoot er aan heeft om daar de beschikking over te houden, maar bovendien kan een emotioneel belang bij de overdracht aan de kinderen eenvoudig worden aangenomen. Dat zal zeker het geval zijn indien de waarde van de ketting een groot deel van de geldvordering van de kinderen vertegenwoordigt.

In verband met deze overdracht dient zich vervolgens de vraag aan hoe gehandeld zal moeten worden indien de ketting € 50.000,-- waard is, maar de erfdelen gezamenlijk slechts € 40.000--. In een dergelijke geval is een gedeeltelijke overdracht een mogelijkheid, maar ook de verplichting tot vergoeding aan de stiefouder van de ‘overwaarde’.

De waarde van het over te dragen goed, vast te stellen naar het tijdstip van overdracht, strekt ingevolge art. 4:25 BW allereerst in mindering op de aan het kind verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de verhoging (wegens rente).

 

Opeisbaarheid van de geldvordering

Middels uitoefening van de hiervoor besproken wilsrechten kan het kind erin slagen om de betaling van de geldvordering zeker te stellen. Een voorwaarde daarvoor is uiteraard dat het kind überhaupt bekend is met de hiervoor besproken wilsrechten. Het inroepen van deze wilsrechten is niet aan een korte termijn gebonden, zodat ook het niet voortvarend handelende kind ook na verloop van tijd het wilsrecht nog in kan roepen. Al moet het beroep op het wilsrecht op dat moment nog wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gegrond zijn. 

Een praktisch nadeel van een afwachtende houding is dat het na verloop van een of meerdere jaren sinds het overlijden het steeds minder eenvoudig wordt om de omvang van de nalatenschap en/of het huwelijksgemeenschap accuraat vast te stellen. Daarom is het verkrijgen van een boedelbeschrijving van groot belang. Verder ligt het gevaar op de loer dat de langstlevende echtgenoot over zal gaan tot het verteren van de nalatenschap, zodat de gelden en goederen wellicht niet meer aanwezig zijn op het moment dat het wilsrecht wordt ingeroepen. Goederen met emotionele waarde zijn dan wellicht ook niet meer aanwezig. Het kind resteert dan nog de mogelijkheid om geld in de vorm van banksaldi overgedragen te krijgen. De wet spreekt over goederen die overgedragen kunnen worden, waar ook geld onder begrepen moet worden. 

In de erfrechtelijke praktijk wordt de vraag veelvuldig gesteld of er echt helemaal niets te doen valt aan het feit dat de langstlevende echtgenoot over de nalatenschap van de overleden ouder mag beschikken en deze ongetwijfeld op zal maken, zodat er na diens overlijden niets meer resteert voor de kinderen. Aan het feit dat de vordering niet opeisbaar is, totdat de stiefouder is overleden (of failliet gaat dan wel de Wsnp van toepassing wordt verklaard) valt niets te veranderen. Allereerst ligt een beroep op de wilsrechten voor ter verzekering van de uitbetaling zodra de vordering opeisbaar wordt. In bijzondere gevallen kan door de rechtbank worden toegestaan dat er beslag wordt gelegd op de nalatenschap, althans een deel ervan. Daar zal in de volgende bijdrage aandacht aan worden besteed. 
 

Een vraag over erfrecht kwesties?

Heeft u vragen over uw rechten als kind jegens de stiefouder, of als stiefouder vragen over uw verplichtingen jegens de kinderen van uw overleden echtgenoot, stel u vraag dan vooral vrijblijvend aan erfrechtspecialist mr. E.J. Luursema.

Heeft u vragen na het lezen?

Wij bellen u graag terug.