Home » Nieuws & achtergrond » De ontslagvergoeding: wel of geen huwelijksgemeenschap?

De ontslagvergoeding: wel of geen huwelijksgemeenschap?

27 juli 2020

Het is een vraagstuk dat al vele jaren in de familierechtelijke rechtspraak voorkomt: valt een ontslagvergoeding wel of niet in de huwelijksgemeenschap? Op 6 juli jl. is er weer een uitspraak geweest op dit vlak, ditmaal van de rechtbank Gelderland. Omdat de uitleg van de rechtbank mooi aansluit bij de huidige leer van de Hoge Raad, houdt familierechtadvocaat en scheidingsmediator Marten Arnold de uitspraak tegen het licht.

"goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet"

In het kort

Voordat het oordeel van de rechtbank inhoudelijk aan bod komt, is het goed eerst even kort in te leiden op het onderwerp. Waar gaat het nu over? Stel je voor dat iemand tijdens zijn huwelijk, waarin hij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd, zijn baan verliest. Bij de beëindiging van het contract worden door de werknemer en werkgever afspraken gemaakt over een door de werknemer te ontvangen ontslagvergoeding, welke afspraken zij vastleggen in een zogeheten vaststellingsovereenkomst. Deze ontslagvergoeding kan om verschillende redenen worden uitgekeerd, bijvoorbeeld ter compensatie van inkomensverlies dan wel ten behoeve van aanvulling van pensioen. Het ligt er wat dat betreft vaak net even aan in welke levensfase de werknemer verkeert en hoe lang het dienstverband is geweest.

In de vaststellingsovereenkomst wordt in sommige gevallen niet benoemd wat de grondslag van de vergoeding is, alwaar dit wel erg belangrijk is. De kwalificatie van de ontslagvergoeding is namelijk van groot belang bij de vraag of deze vergoeding zogeheten verknocht is aan de (in dit geval gehuwde) werknemer.

 

Wat is verknochtheid?

Uit art. 1:94 lid 3 BW volgt dat "goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet". Het gevolg van dat een goed (of schuld) verknocht is, is dus dat dit goed (of schuld) niet in de huwelijksgemeenschap valt en privé-vermogen is van de echtgenoot aan wie het verknocht is.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hangt de vraag of iets verknocht is af van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen worden bepaald. Wellicht is de makkelijkste uitleg daarvan dat de algemene mening van de maatschappij dient te worden gevolgd over de vraag of iets verknocht is. Dit is overigens een uitleg volledig op eigen titel van de auteur, want de rechtspraak heeft in de loop der jaren wel een andere tendens laten zien.

 

De Hoge Raad & de ontslagvergoeding

Hoe het ook zij, op 17 oktober 2008 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, indien een ontslagvergoeding (dit betrof een stamrecht) wordt ontvangen bedoeld voor compensatie van toekomstig verminderd inkomen, deze vergoeding buiten de huwelijksgemeenschap valt (en dus privé-vermogen is) voor zover de vergoeding ziet op aanspraken die zien op de periode ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De aanspraken die zien op de periode vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, vallen daarmee dus in de huwelijksgemeenschap en dienen door echtgenoten bij scheiding bij helfte te worden verdeeld.

Door de Hoge Raad is meest recent op 23 februari 2018 een oordeel gegeven over de verknochtheid van de ontslagvergoeding ineens, alwaar is aangegeven dat ook een ontslagvergoeding ineens (dus rechtstreekse betaling aan de werknemer in plaats van in een stamrecht) verknocht is, voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat ná de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten.

Een voorbeeld kan helpen. Stel: een vrouw (getrouwd in algehele gemeenschap van goederen) heeft in 2016 haar baan verloren en destijds een ontslagvergoeding van € 100.000,-- ontvangen waarbij wordt overeengekomen dat het bedrag dient ter compensatie van verminderd inkomen voor 10 jaren a € 10.000,--. In 2020 gaat de vrouw scheiden en wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden. Uit de leer van de Hoge Raad volgt dan dat een bedrag van € 40.000,-- (4 jaren a € 10.000,--) in de gemeenschap valt en dus met haar echtgenoot bij helfte wordt gedeeld, alwaar een bedrag van € 60.000,-- (6 jaren a € 10.000,--) verknocht is aan de vrouw en privé-vermogen van haar is. Omwille van de eenvoud ga ik er daarbij van uit dat de ontslagvergoeding nog op een aparte bankrekening staat dan wel nog identificeerbaar (duidelijk aanwezig) is in banksaldo dat tot de huwelijksgemeenschap behoort.

 

De casus

Dan over tot de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 6 juli 2020. In deze casus heeft de vrouw met haar werkgever op 1 september 2013 haar arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de vrouw een ontslagvergoeding van € 33.905,79 ontvangt "ter vervanging van te derven inkomsten dan wel ter aanvulling op een lager te verdienen salaris elders". De vergoeding is gestort op een aparte bankrekening.

De man stelt dat de vergoeding volledig in de gemeenschap valt, omdat de vrouw in de jaren na beëindiging van haar dienstverband tot de scheiding een aanzienlijk lager inkomen heeft genoten en de vergoeding dus volledig zou zijn opgesoupeerd. De enige reden dat dit niet is gebeurd en de vergoeding dus nog intact is, is gelegen in het feit dat de man met zijn inkomen de vermindering van inkomen van de vrouw heeft opgevangen.

De vrouw houdt ook de voornoemde leer van de Hoge Raad aan, maar stelt dat bedoeld is dat de ontslagvergoeding dient te worden verdeeld over de jaren tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd (24 november 2043). De periode van ontvangst zou dan 363 maanden betreffen, oftewel per maand een ontslagvergoeding van € 100,89. Aangezien er 74 maanden zijn verstreken vanaf het ontvangen van de vergoeding tot de scheiding, stelt de vrouw daarmee dat een bedrag van € 7.465,86 in de gemeenschap valt en met de man gedeeld moet worden alwaar het restant van € 29.155,98 aan haar verknocht is en daarmee volledig aan haar toekomt.

Met verwijzing naar de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad stelt de rechtbank allereerst vast dat er sprake zou kunnen zijn van verknochtheid van een deel van de ontslagvergoeding, omdat immers is overeengekomen dat deze strekt ter vervanging van te derven inkomsten.

In geschil is dus welk deel van de ontslagvergoeding door de vrouw mag worden behouden zonder verdeling met de man. Daarover geeft de rechtbank aan dat niet ter discussie staat dat de vrouw na beëindiging van haar dienstverband tot de scheiding een veel lager inkomen heeft gehad en de man dit inkomensverlies heeft opgevangen. De rechtbank overweegt evenwel ook terecht dat het niet uitmaakt dat de ontslagvergoeding nog intact is, omdat (wederom met verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad, ditmaal van 24 juni 2016) het gaat om de strekking van de ontslagvergoeding en niet de daadwerkelijke besteding hiervan nadien. Voor de vraag of de vergoeding verknocht is, maakt het dus niet dat de ontslagvergoeding er nog steeds is.

De rechtbank stelt echter vervolgens dat het haar niet is gebleken dat uit de afspraken in de vaststellingsovereenkomst volgt dat de vergoeding bedoeld was te compenseren voor inkomensverlies tot de pensioengerechtigde leeftijd en over 363 maanden verdeeld zou moeten worden. Zij gaat vervolgens zelf rekenen.

Uitgaande van het inkomen dat de vrouw verdiende zou zij bij het volledig wegvallen hiervan met de ontslagvergoeding 14 maanden hetzelfde inkomen kunnen compenseren, reden waarom de rechtbank hiervan uitgaat. Dat de man en de vrouw tijdens het huwelijk andere keuzes hebben gemaakt, doet niet ter zake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ontslagvergoeding geheel in de huwelijksgemeenschap valt en deze dus volledig bij helfte verdeeld moet worden door de man en de vrouw.

 

Conclusie

Het is een interessante uitspraak. Enerzijds omdat de rechtbank in deze casus op nauwkeurige wijze de leer van de Hoge Raad volgt. Anderzijds omdat de rechtbank met eigen richting een berekening maakt van de periode van compensatie van de ontslagvergoeding. Mijn vermoeden is dat door de vrouw appel wordt ingediend, alwaar het vraagstuk opnieuw kan worden getoetst. Duidelijk is wel dat ook hier geldt dat de afspraak in de vaststellingsovereenkomst nog concreter geformuleerd had moeten worden. Oftewel: wordt zeer waarschijnlijk vervolgd!

 

Vragen?

Bij Van Lelyveld Advocaten hebben wij veel ervaring met het waarderen en verdelen van een huwelijksgemeenschap, waarbij voornoemde problematiek onderdeel is van de praktijk. Mocht u hierover dan ook vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met advocaat Marten Arnold.

Heeft u vragen over de juiste formulering van afspraken bij beëindiging van uw arbeidscontract? Ook dan kunnen wij van u advies voorzien. Advocaat Erik Luursema is u dan graag van dienst.

Specialisten in personen- en familierecht met hart voor uw zaak

Vooral in het personen- en familierecht kunnen de emoties hoog oplopen. Wij luisteren naar u. We leggen uit wat uw juridische positie is en wat de mogelijkheden zijn. Daarna gaan we in gesprek met de andere partij....

Familierecht

Afspraken vastleggen tijdens je relatie of huwelijk

In de familierechtpraktijk zien wij vaak dat door partners wordt verzuimd vóór dan wel tijdens het huwelijk/de relatie goede schriftelijke afspraken te maken over financiële zaken. Dit leidt na verbreking van de...

Artikel